Tekst: Greetje Hingstman | Beeld: Meriam de Lange

 

“Ik droom zoals ik de wereld waarneem, dus met vier zintuigen in plaats van vijf”. Sinds zijn zesde levensjaar ziet hij niets meer. Althans: niet met zijn ogen. Want het gebeurt niet dagelijks dat men iemand tegenkomt met zo’n heldere visie als Rob van Vliet. Voorzitter van de voormalige Nederlandse Vereniging van Blinden en Slechtzienden en momenteel secretaris van de splinternieuwe Oogvereniging. Met zijn kijk op het leven, op blind zijn en op de eigen verantwoordelijkheid van mensen met een beperking is hij een voorbeeld. Voor blinden en zienden.

Wij zienden kunnen het ons amper voorstellen: een wereld zonder visuele beelden. Toch mist Rob ze totaal niet. Zijn beeldherinneringen als kleuter zijn vervaagd en behoren niet meer tot zijn werkelijkheid: “Ik heb het gezicht van mijn zoon nooit gezien en dat interesseert me ook niet, dat valt buiten mijn wereldbeeld. Mensen vragen wel eens: wil je niet weten hoe ik eruit zie? Maar die behoefte heb ik nooit gehad.”

Hoewel niet kunnen zien zonder twijfel een beperking is, kan Rob het zonder te bagatelliseren goed relativeren: “Blind zijn is niet de enige beperking in de wereld. Ik moet de eerste mens nog tegen komen die geen beperking heeft. Nou, ik heb toevallig deze. Ik heb er nog een paar maar die verklap ik niet”, lacht hij. Hoe het hem lukt om te relativeren? “Er zijn twee dingen. Allereerst: hoeveel beperkingen heb je nu eigenlijk? De één kan niet zien, de ander kan niet lopen, weer een ander heeft weinig verstandelijke gaven gekregen en een vierde ligt voortdurend in echtscheiding. Vervolgens gaat het erom: hoeveel persoonlijkheid heb je om daarmee te dealen? Die twee factoren bepalen wat er uit je komt. Dat is niet op te hangen aan één beperking.”

Loop een dag met een blinddoek voor en je zult merken hoe groot je afhankelijkheid is van anderen. Een schrikbeeld? Rob van Vliet kent de kunst van de autonomie: ondanks het feit dat hij regelmatig hulp van anderen in moet roepen, voelt hij zich onafhankelijk. “Ik bepaal zelf wanneer ik hulp vraag en of ik een uitgestoken arm accepteer. Daarin ben ik overigens vrij ruimhartig, ik denk altijd ‘liever een keer teveel dan te weinig!’. Ik vind het onzin om te zeggen: omdat ik zoveel op hulp ben aangewezen ben ik mijn onafhankelijkheid kwijt. Daar ben je altijd nog zelf bij.”

20130904-Helder-Advies-Rob-hond.jpgKLEIN-675x1024

Het klinkt makkelijk, je autonomie bewaren door zelf de regie te houden. Toch is het voor velen nog een hele klus. Rob vertelt hoe hem dat lukt: “Stap 1 is dat je je niet afhankelijk moet voelen. Je stelt voor jezelf vast dat je in een situatie zit waar je alleen niet uit komt. Op dat moment zeg je tegen jezelf ‘dit lukt dus even niet, ik moet hulp vragen’. Dan ben jij zelf aan de bal. Maar wanneer je zegt ‘verdorie, ik weet niet hoe ik hier uit moet komen, wie gaat mij in godsnaam helpen?!’, dan laat je de situatie aan de bal. Dat is niet handig, dat is niet bevorderlijk voor je zelfgevoel.”

Dat je als blinde soms ook te maken hebt met de goede bedoelingen van omstanders, blijkt wel uit het volgende voorbeeld: “Ik moest vorige week vanaf het treinstation naar een bushalte waarvan ik ongeveer wist waar die was maar niet precies. Komt er iemand die zegt ‘meneer, ik loop wel even met u mee’, ontzettend aardig natuurlijk. Maar direct merkte ik dat we verkeerd liepen. Dus dat zeg ik maar hij houdt voet bij stuk dat we op de goede weg zijn. In zo’n geval ‘kijk’ ik op mijn horloge of ik voldoende tijd heb om mee te lopen, in de verkeerde richting. Want ik ben gewoon blij wanneer mensen op mijn verzoek ingaan. En inderdaad: we kwamen op de verkeerde plek uit. Deze man was zo vriendelijk om alsnog met me naar de juiste bushalte te lopen.”

Mensen met een beperking kunnen een aardige beschouwing geven van onze mentaliteit. Hoe behulpzaam zijn de Nederlanders nu écht? Hoe groot is ons acceptatievermogen? Daarin zijn volgens Rob in de afgelopen decennia enorme stappen gezet: “We hebben als maatschappij echt veel gedaan om mensen met een beperking beter en langer mee te laten doen. Beslist. Ik ben dan ook groot voorstander van die wet Werken Naar Vermogen. Daar gaan we overigens nog flink last van krijgen, want voor een aantal kwetsbare mensen gaan er zeker onrechtvaardigheden gebeuren. Maar het uitgangspunt is goed.”

Blinden en slechtzienden moeten in hun kracht worden gebracht, vind Rob. Dat begint bij henzelf maar zeker ook bij de hulpverlening: “Bij revalidatie-instellingen is het soms, te vaak, een issue dat slecht zien erg veel energie kost. Op zich een waarheid als een koe. Maar daarover wordt zo nadrukkelijk gedaan… Er wordt bijvoorbeeld gezegd: ‘laat dat werk nou eerst nog maar even zitten, ga eerst maar aan jezelf werken’. Dat is soms het advies dat ze meekrijgen. Natuurlijk is het energieniveau een thema, maar de insteek moet niet zijn dat je slechtziendheid een excuus is om niets te doen. Ik ken mensen die aangeven: ‘ik heb mijn IWA-uitkering en hoef dus niet meer te werken’. Ze beseffen niet half wat ze zichzelf aandoen, ze schrijven zichzelf in feite af. Zo beneem je jezelf bijna het leven.” Over het arbeidsproces gesproken, een dilemma voor veel mensen met een beperking is: zet ik het in mijn sollicitatiebrief? Rob heeft er destijds voor gekozen om dat wel te doen: “Want ik zag mezelf daar niet voor de deur staan en de sollicitatiecommissie compleet verrassen. De consequentie is wel dat je vrijwel niet wordt uitgenodigd. Ik solliciteerde op een zeker moment tegelijkertijd met twee collega’s, alle drie met een zelfde soort CV. Zij hadden na 6 brieven een nieuwe baan en ik had er 50 nodig om 1x uitgenodigd te worden.”

Rob heeft zelf altijd volop aan het arbeidsproces deelgenomen. Hij heeft een lange carrière achter de rug bij de KPN, waar hij onder andere een managementfunctie bekleedde. Uit zijn verhalen valt op te maken dat zijn teamleden erg tevreden over hem waren. Toch moest ook Rob wel eens op zijn tenen lopen. Het viel niet altijd mee om in deze commerciële omgeving de uitzondering te zijn: “Binnen mijn eigen afdeling verliep het prima, daar kende ik de mensen en zij mij. Maar vooral het noodzakelijke contact met medemanagers, dat was echt heel hard werken. Daar kon ik tegenop zien.

Wat lastig was? Alleen al het feit dat we een ochtend in een hotel gingen vergaderen en dat ik aan een collega moest vragen ‘waar is de wc?’. Ik doe dat in het algemeen vrij gemakkelijk, maar toch liever aan anonieme personen. In een management- en verkoopomgeving zit je vaak in concurrentiesituaties. Dan moet je dus switchen tussen je plek verdedigen in het inhoudelijke gesprek en in de pauze vragen ‘goh Kevin, breng me even naar het toilet’. Dat heeft van mij wel enige geestelijke inspanning gevergd.”

Ondertussen is de vrouw van Rob aangeschoven. Een liefdevolle en zelfbewuste vrouw. Hoe is het voor haar om getrouwd te zijn met iemand die blind is? Hoe verschilt hun relatie van die van anderen?
Gijni: “Daar waar andere mensen oogcontact hebben, raken wij elkaar aan. Dat is in onze relatie heel belangrijk. Tegelijkertijd is daardoor aanraken met anderen al snel ‘besmet’. Daar ligt voor mij een grens omdat het iets van ons is, iets dat binnen onze relatie hoort. Wanneer iemand anders Rob bijvoorbeeld aanraakt, dan is dat teveel intimiteit. Of wanneer een ander zijn brood opeens gaat smeren. Dat is van mij, daar moet een ander niet aankomen. Zulke dingen laten dus zien dat je een ander soort relatie hebt. Wat mensen in andere relaties zeggen met hun ogen, daar heb ik op deze manier compensatie voor gevonden.”

Rob straalt wanneer hij zegt: “Of onze relatie nu echt anders is dan die van alle anderen? Ja, wij vinden van wel. Maar dat zou ik ook gevonden hebben wanneer ik kon zien!”

Zo is ook de band met zijn zoon één die het predicaat ‘liefdevol’ verdient. Ze zijn heel kameraadschappelijk, Rob en Taco. Ze trekken bijvoorbeeld wandelend door Engeland, onderweg wildkamperend in een piepklein tentje. “Mijn blind zijn levert daarin soms hilarische taferelen op. Zo kwamen we in Engeland na een lange tocht door de dikke mist aan bij een supermarkt. Taco ging even snel naar binnen om iets te eten te halen en zette mij buiten neer: ‘ik ben zo weer terug!’. Schiet me kort daarna te binnen dat we ook nog een telefoonkaart nodig hebben, dus ik naar binnen om Taco te roepen. Maar helaas: geen sjoege. Hij bleek inmiddels via een andere uitgang naar buiten te zijn gegaan, vond mij niet en zijn eerste gedachte was: ‘wie heeft mijn blinde gejat?’.”

Over de vraag of hij er ook wel eens genoeg van heeft zo vaak op zijn blindheid te worden aangesproken, moet Rob even nadenken: “Nou, wat je wel hebt… Mensen kunnen wel heel bewonderend naar je zijn. Over mijn pianospel bijvoorbeeld: ‘goh dat je dat kunt!’. Ja hallo, er zijn veel meer mensen die goed piano kunnen spelen! Die bewondering heeft in zo’n geval te maken met mijn blindheid, dat vind ik dan echt misplaatst.”

Rob kan er duidelijk niet goed tegen om niet op zijn kwaliteiten maar op zijn blind zijn te worden beoordeeld. Die wrevel is goed voelbaar wanneer hij vertelt over een muziekconcours waaraan hij een aantal keren heeft deelgenomen: “Beide keren ben ik tweede geworden, terwijl ik de uitvoering echt slecht vond. Ik heb later nog aan mijn pianoleraar gevraagd of ik gematst zou zijn met die uitslag. Ik heb er niet achter kunnen komen.”

Hij is een man wiens ambities hem ver hebben gebracht: manager bij KPN, voorzitter van de NVBS, om maar iets te noemen. Toch heeft Rob geen lijstje met dingen die hij nu nog zo nodig moet. Al ligt er wel een passie bij het bestuurlijk vormgeven van de Oogvereniging: “Daar heb ik een mening over en ik heb een drang om die visie te realiseren. Dus vanaf mijn positie wil ik het ook zo vorm geven zoals ik dat voor ogen heb.”

Die drang om iets te betekenen en vanuit een visie te werken zit intrinsiek in Rob: “Ik ben toevallig blind geworden en dat motiveert me om iets voor die groep te doen. Was ik éénbenig geweest dan had ik waarschijnlijk iets heel anders gedaan. Ik doe alleen maar dingen op plekken waar ik denk dat ik toegevoegde waarde heb.”

Al pratende over passies, komt onvermijdelijk het pianospelen weer voorbij. Het lijkt een eerste levensbehoefte: “Ja, zonder enige twijfel!”, roept Rob. Om vervolgens plaats te nemen achter de vleugel en een prachtig stuk van Bach te spelen.
Om stil van te worden…

Uitvoering project ‘Versterking van de afdelingen’

Rob was destijds voorzitter was van de Nederlandse Vereniging van Blinden en Slechtzienden (NVBS). Met de komst van de WMO ziet het hoofdbestuur van de NVBS een belangrijke taak voor de afdelingen bij de belangenbehartiging. Dit vraagt andere activiteiten en vaardigheden van de afdelingen. In drie weekenden heeft Helder Advies de afdelingen begeleid in het werken met een werkplan: waarom en waartoe? Het inhoudelijke onderwerp is belangenbehartiging: het belang en hoe je dit kunt aanpakken. Een belangrijk doel van de bijeenkomsten is te komen tot een gezamenlijke visie. Tijdens de terugkomdag, voorjaar 2013, zijn de voornemens van de afdelingen besproken en geëvalueerd. Veel afdelingen zitten midden in de uitvoer van de plannen. Helder Advies heeft iedere bijeenkomst voorbereid met de begeleiders en het bestuur. Er is gebruik gemaakt van diverse werkvormen aangepast aan de aard van de handicap. Het resultaat van het project is een veelvoud aan activiteiten op lokaal niveau rond belangenbehartiging en lotgenotencontact.